Welkom op mijn blog

Ervaringen en gedachtenspinsels

Vergoede jeugdzorg

Wist je dat het mogelijk is om onder bepaalde voorwaarden bij IQenzo ook vergoede jeugdzorg te krijgen? IQenzo heeft een contract bij de zogenaamde regio Foodvalley. De gemeenten die onder de regio Foodvalley vallen zijn: Barneveld, Ede, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel en Veenendaal. Onderzoek naar intelligentie of hoogbegaafdheid valt in de meeste gevallen niet onder vergoede jeugdzorg. Maar in sommige gevallen wordt psychologisch onderzoek, zoals een begaafdheidsonderzoek, wel door de gemeente vergoed. Of dit gebeurt hangt af van de ernst van de onderliggende problematiek. Vergoede jeugdhulp is er voor kinderen met psychische problematiek. De huisarts of het gebiedsteam bepaalt daarom of er doorverwezen wordt binnen de vergoede jeugdzorg.

Hoe werkt het?

Om voor vergoede zorg in aanmerking te komen is een beschikking van de gemeente of een verwijsbrief van de huisarts nodig. Dat betekent dat je eerst contact opneemt met het gebiedsteam of met de huisarts. Bij de afspraak met de mensen van het gebiedsteam of de huisarts kun je aangeven dat je naar praktijk IQenzo verwezen wilt worden. Het is verstandig om dat specifiek te vragen. Er zijn veel zorgaanbieders en niet iedere medewerker van het gebiedsteam of huisarts precies weet welke praktijken vergoede zorg leveren en wat de specialismen zijn. Vooral als je op zoek bent naar expertise op het gebied van hoogbegaafdheid is het goed om daar zelf je voorkeur in duidelijk te maken, omdat er binnen de jeugdzorg helaas ook nog veel misverstanden over hoogbegaafdheid de ronde doen.

Wanneer de beschikking wordt afgegeven of de verwijsbrief wordt gegeven kun je je bij IQenzo aanmelden. We plannen dan een intakegesprek in om te bepalen welke hulp geboden moet worden. Als het nodig is, wordt informatie uitgewisseld met het gebiedsteam of de huisarts, waarbij uiteraard zorgvuldig met de privacy wordt omgegaan.

Niet woonachtig in de Foodvalley?

Woon je in Amersfoort of een andere gemeente die niet onder de Foodvalley valt? Neem dan contact met me op. Dan onderzoeken we de mogelijkheden om voor vergoeding in aanmerking te komen.

Curling in de opvoeding

Juf Ank van ‘De Luizenmoeder’ heeft met haar uitspraak “ik kan er vandaag geen curlingmoeders bij hebben” nogal wat stof doen opwaaien op verschillende sociale media. Ik heb verschillende reacties voorbij zien komen. Omdat ik ook veel onbegrip voorbij zie komen, wil ik graag wat meer duidelijkheid geven over wat er bedoeld wordt met ‘curling in de opvoeding’. Bewustwording hierover vind ik belangrijk, omdat ik denk dat dit verschijnsel erg past in onze tijdsgeest.

Curling in de opvoeding

De term curling in de opvoeding is niet zo heel nieuw. En hij komt ook niet van Nederlandse bodem. In dit artikel wordt heel helder uitgelegd wat curling in de opvoeding betekent. Dat dit artikel geschreven is door de mensen van Platform Mindset is niet toevallig. De ontwikkeling van een groeimindset en curling in de opvoeding hebben veel met elkaar te maken. Curling in de opvoeding komt er kort gezegd op neer dat je de lastige situaties voor je kind oplost. De intentie daarbij is liefdevol en beschermend, je wilt je kind beschermen tegen een negatieve ervaring en de nare gevoelens die daarbij horen. Maar door deze ‘oneffenheden in het ijs’ weg te poetsen, leert je kind ook niet om te gaan met deze ervaringen. Er zijn psychologen die een verband zien tussen (veelvuldig) curlen in de opvoeding en de toename van burn-outproblematiek bij jongeren.

Curlingmoeders

De soms felle reacties op fora gaan vaak over het feit dat juf Ank de moeders benoemt. Moeders zijn in het verleden al vaker neergezet als boosdoeners van de problemen van hun kind, dus dit zou dan de zoveelste poging zijn. Ik denk persoonlijk dat iedereen die een rol van betekenis heeft in de opvoeding van een kind kan ‘curlen’. Ik snap dan ook de boze reacties, maar ik wil benadrukken dat de discussie moet gaan over ‘curling’ en niet over het geslacht van degene die dat doet.

Vechten voor passend onderwijs

Een andere reactie is die van ouders die heel erg hun best moeten doen om voor hun kind passend onderwijs te realiseren. Deze ouders steken veel energie in gesprekken met school en moeten voor de belangen van hun kinderen opkomen. Dit brengt vaak veel frustraties met zich mee. Wanneer deze ouders het gevoel hebben als ‘curlingouders’ weggezet te worden, snap ik hun boosheid. Gezien de invloed van het onderwijs op de ontwikkeling van je kind kun je dit niet scharen onder het wegpoetsen van oneffenheden, zoals bij curling het geval is. Dit zijn ijspegels of zelfs ijsbergen. Ouders die op deze manier vechten voor de belangen van hun kind doen niet aan curling in de opvoeding. Zij handelen vanuit hun verantwoordelijkheid.

Curlingleerkrachten

Een andere veelgehoorde reactie is dat de leerkrachten ook aan curling kunnen doen. En daar ben ik het mee eens, zoals ik net ook al aangaf. Leerkrachten en ouders hebben alleen wel een heel andere rol. Zij moeten zich vanuit een andere invalshoek bewust worden van curling. Ik wil dat graag uitleggen aan de hand van de psychologische basisbehoeften van kinderen (Deci & Ryan). Dat zijn competentie, verbondenheid en autonomie. Deze drie basisbehoeften zijn voorwaarden voor de groei en ontwikkeling van een kind. Zie het als een kruk met drie poten. Hak er één af en de kruk valt om. Zo belangrijk zijn deze basisbehoeften. Verbondenheid heeft een sleutelfunctie. Een kind moet zich veilig en gezien voelen om zijn gevoel van competentie en autonomie te laten groeien. Daar zie ik een verschil in de rollen van ouders en leerkrachten. De verbondenheid met ouders is een natuurlijke en in de meeste gevallen een veilige. Vanuit die basishouding kan een kind competenties en autonomie leren (en die leer je o.a. door lastige situaties aan te gaan en niet te laten wegpoetsen). De leerkracht heeft deze natuurlijke verbondenheid met het kind niet. Daar moet dus eerst in geïnvesteerd worden. Dat betekent dus dat een leerkracht heel goed moet aanvoelen wanneer hij een kind wel of niet zelf een lastige situatie laat oplossen en hoeveel begeleiding het kind daarbij nodig heeft.

Spiegel

Het lijkt mij zo mooi als zowel de ouders als de leerkracht zich eerst bewust worden van hun eigen rol. Durf eerst zelf in de spiegel van de curlingouder te kijken. Durf te erkennen dat je hierin misschien wel kunt groeien. Bekijk rustig en zonder oordeel je eigen oneffenheden, voordat je die van een ander bekijkt, in het belang van en uit liefde voor je kind. Durf als leerkracht ook in die spiegel te kijken, vanuit je professionele rol. Creëer zo een veilig klimaat, waarin het kind ruimte krijgt om te falen en daar zelf sterker uit te komen. Met de (minimaal) nodige begeleiding van zijn ouders en leerkracht.

Geen 130? Dan mag je er niet in…

Sophie

Samen met haar groep gaat Sophie vandaag naar de speeltuin. Ze heeft er veel zin in. Haar begeleider heeft er al wat over vertelt en dat spreekt Sophie wel aan. Als ze bij de speeltuin zijn, ziet Sophie dat de speeltuin bestaat uit één draaimolen. Ze kijkt even verrast om zich heen, maar besluit dan de draaimolen maar eens te gaan uitproberen. Ze vindt de draaimolen oké. Niet erg spannend, nee. Maar Sophie is creatief en bedenkt allerlei spelletjes om de draaimolen wat interessanter te maken. Haar begeleider ziet haar voorbij komen in allerlei houdingen. Hij ziet dat Sophie zich prima vermaakt. Maar na verloop van tijd zijn de ideeën van Sophie op. Ze loopt naar haar begeleider en vraagt wat er nog meer te doen is.

Daan

Ondertussen is Daan ook in de speeltuin. Daan had, net als Sophie, veel zin in de speeltuin. Maar toen hij zag dat er niet meer was dan een draaimolen verdween zijn zin als sneeuw voor de zon. Van zijn begeleider moet Daan de draaimolen uitproberen. Dat doet Daan. Hij vindt het saai. Ondertussen bedenkt hij wel allerlei interessante vragen. Zou deze draaimolen sneller draaien dan de aarde? En wat als je heel hard terug zou draaien, ga je dan terug in de tijd? Hoe hard moet je lopen op de draaimolen om op dezelfde plek te blijven staan? En wat gebeurt er dan als je springt? Maar Daan heeft geen zin om dit alles uit te proberen. Want die draaimolen is zo verschrikkelijk saai… Daan kijkt om zich heen. Hij ziet dat Sophie het erg naar haar zin heeft. Hij ziet de andere kinderen uit zijn groep lachen en lol maken. Dus blijkbaar vinden andere kinderen dit wél leuk. Daan voelt zich anders dan de andere kinderen. Hij wordt onzeker en wil zich het liefst onzichtbaar maken. Hij laat zijn schouders en zijn hoofd hangen.

De achtbaan

Sophie vraagt aan de begeleider of er meer te doen is. Iets spannenders. Daan hoort dat Sophie het vraagt. Iets in haar vraag wekt zijn interesse, maar tegelijkertijd voelt hij dat hij toch anders is, dus dat het zinloos is om naar iets spannenders op zoek te gaan. Hij went zijn hoofd af en zakt nog iets dieper in elkaar. De begeleider antwoordt Sophie dat er verderop een achtbaan is. Deze achtbaan is spannend en niet iedereen mag er in. Hij laat je opstijgen tot grote hoogte en vervolgens moet je ook flink de diepte in. Je weet eigenlijk van te voren niet precies hoe het gaat verlopen, maar duidelijk is wel dat deze achtbaan je helpt met het verleggen van je grenzen. Maar omdat deze achtbaan niet voor iedereen geschikt is, is er een toelatingseis. Er staat een bordje bij de ingang: geen 130? Dan mag je er niet in.

De meetlat

De begeleider vertelt Sophie over de achtbaan. Hij ziet op dat moment dat hij heel kort de aandacht heeft van Daan. Dus neemt de begeleider Sophie en Daan mee naar de achtbaan. Eerst mag Sophie bij het bordje staan, waarop met een duidelijke streep staat aangegeven wanneer je 130 bent of niet. Sophie staat vol enthousiasme te springen. Ze wil zo graag! Vol zelfvertrouwen staat ze bij het bordje en het is direct duidelijk dat ze lang genoeg is. Dan mag Daan. Daan, die zich onzeker en anders voelt en die door de verplichte rondjes in de draaimolen ongemotiveerd en ongelukkig is. Hij sjokt naar het bordje. Zijn schouders en hoofd hangen nog steeds wat voorover. Zijn handen zitten in zijn zakken. 127. “Helaas, Daan…”

Met dit verhaal wil ik illustreren wat er mis kan gaan wanneer we naar cijfertjes kijken. En we belangrijke beslissingen nemen, alleen op basis van cijfertjes. Het IQ is niet zo feitelijk als lengte, of als temperatuur. Laten we kijken naar het kind. Het ene kind geeft duidelijk aan dat het behoefte heeft aan meer uitdaging en meer verdieping. Het andere kind niet, maar heeft wel die behoefte. Wanneer we dit kind zien, het vertrouwen geven door oprechte interesse te tonen, dan is de kans groter dat we die diepere, niet geuite behoefte wel zien. En dat we daarop actie kunnen ondernemen.

Meer lezen:

De WISC-III en de WISC-V

Veel ouders zijn tegenwoordig op de hoogte van de verschillende intelligentietests die in gebruik zijn in Nederland. Dankzij Google is dit soort informatie veel gemakkelijker toegankelijk dan vroeger. En dat maakt ook dat ouders als ze contact met mij opnemen of met mij in gesprek zijn, de nodige voorkennis al hebben op het gebied van intelligentieonderzoek. Ik begrijp dat wel, ik zou zelf ook eerst op zoek gaan naar informatie voor ik een professional zou inschakelen. Het risico is echter dat veel van de informatie op internet geen feitelijke weergave van de werkelijkheid is, of gebaseerd op bijvoorbeeld ervaringen in het buitenland. Met dit artikel wil ik bijdragen aan de juiste informatie, met name op het gebied van de WISC-III en de WISC-V. En ik neem je mee in de geschiedenis van de WISC-III en de WISC-V.

WISC

Intelligentietests uit de WISC-serie zijn de meest gebruikte in ons land. De afgelopen vijftien jaar hebben we de WISC-III gebruikt en deze is vanaf dit jaar opgevolgd door de WISC-V. Voor wie het interessant vindt om te weten; WISC betekent: Wechsler Intelligence Scale for Children. David Wechsler is degene die deze serie ontwikkeld heeft. En van deze Wechsler-schalen bestaat ook een variant voor volwassenen (inmiddels de WAIS-IV) en een voorschoolse variant (WPPSI-III, de IV is in de maak).

WISC-III

De WISC-III kenmerkt zich als logische opvolger van de eerdere WISC en WISC-R. Dat betekent dat hij in opbouw past in de geschiedenis van de Wechsler-schalen. En kenmerkend aan deze geschiedenis is het onderscheid tussen een verbaal IQ (taalvaardigheden) en een performaal IQ (praktische, handelingsgerichte vaardigheden). Ooit bestond er eerst alleen een verbale schaal en werd er ook een non-verbale schaal ontwikkeld. Later zijn die twee samengevoegd in één schaal. Met het gebruik van de WISC-III zijn we in Nederland gewend geraakt aan termen als ‘V-P kloof’ en ‘disharmonisch intelligentieprofiel’, wat betekent dat er een groot verschil tussen verbaal IQ en performaal IQ uit de test naar voren kwam. We zijn daar in Nederland ook veel waarde aan gaan hechten. In de praktijk kreeg dit soms zelfs de waarde van een officiële diagnose. Dit is niet terecht. Natuurlijk heeft een disharmonisch profiel gevolgen voor het dagelijks leven van sommige kinderen. Het komt echter vaak voor en een groot deel van de mensen met een disharmonisch profiel kan prima functioneren. Er is ook geen wetenschappelijke onderbouwing voor deze ‘kloof’. Feitelijk gezien is de kloof ontstaan doordat we de WISC-schalen zijn gaan gebruiken.

De WISC-III gaat bijna met pensioen. En, eerlijk is eerlijk, dat werd tijd. Er zijn sterk verouderde items. Ooit gemakkelijk, maar nu onherkenbaar voor sommige kinderen. Andersom geldt hetzelfde: ooit moeilijke vragen zijn nu redelijk vanzelfsprekend. Gebruiksvoorwerpen hebben in die tijd andere functies gekregen die natuurlijk niet zijn opgenomen in de antwoordmogelijkheden. De test is dan wel vijftien jaar oud, maar het betreft een vertaling uit Amerika, waar de test al jaren eerder is uitgekomen en waarbij de meeste items zijn overgenomen uit de Amerikaanse versie. Tel er dus gerust een aantal jaar bij op. Naast het feit dat er sprake is van verouderde items is de wetenschappelijke theorie over intelligentie niet stil blijven staan. We weten nu dat de WISC-III onvoldoende aansluit op deze nieuwe inzichten. De nadruk op de talige cognitieve vaardigheden is verhoudingsgewijs te groot. En zorgelijker: het logisch probleemoplossend redeneervermogen (de fluïde redeneervaardigheden) komt niet aan bod. Er zijn tenslotte aanwijzingen dat het performaal IQ vooral een weergave is van het executief functioneren, dus informatie geeft over de vaardigheden om taken uit te voeren. Zeer nuttige informatie, maar geen intelligentie.

WISC-V

Sinds dit jaar is de WISC-V in gebruik genomen. En deze test verschilt zeer sterk van zijn voorloper. We hebben nu in Nederland eindelijk de beschikking over een WISC-schaal die de juiste wetenschappelijke onderbouwing kent. Er zijn drie indexen gevormd voor het complex redeneren: het talig redeneren, het visueel-ruimtelijk redeneren en het fluïde redeneren. Daarnaast krijgen we ook een beeld van de efficiëntie waarmee eenvoudige informatie gebruikt wordt: het werkgeheugen en de verwerkingssnelheid. En dan zijn er nog allerlei aanvullende analyses mogelijk, afhankelijk van de hulpvraag van het kind en zijn ouders. Dat betekent dat de invloed van de talige vaardigheden veel kleiner is geworden, vergeleken met de WISC-III. De invloed van het non-verbaal redeneren is natuurlijk groter geworden, aangezien dit eerst niet gemeten werd. De zwaarte van het werkgeheugen en de verwerkingssnelheid is ook toegenomen.

Wat we merken is dat kinderen met een hogere intelligentie soms moeite hebben met de eenvoudigere taken. Die zijn wat saaier en doen een beroep op vaardigheden die slimme kinderen nog niet zo vaak nodig gehad hebben. Die hebben ze minder getraind. Dit is helemaal niet erg. Want het intelligentieprofiel geeft hele duidelijke aanknopingspunten voor de praktijk. Bovendien kan iemand die de WISC-V goed begrijpt aan de andere onderdelen zien in hoeverre er sprake is van echte problemen op het gebied van werkgeheugen of verwerkingssnelheid. Daarnaast is het zo dat veel begaafde en hoogbegaafde kinderen vaak enorm veel talige kennis in huis hebben. Bij de WISC-III telde dit extra zwaar mee in het totaal-IQ, waardoor mogelijk een oververtegenwoordiging is ontstaan van kinderen met een zeer hoge score. In de WISC-V is deze invloed dus kleiner geworden. Ook dit maakt dat het minder ‘makkelijk’ is om een zeer hoge totaalscore te behalen op deze test. De WISC-V is dus eigenlijk nauwkeuriger. Dat zou geen probleem moeten zijn, omdat de test gemaakt is als hulpmiddel om in kaart te brengen wat kinderen nodig hebben. Het is nu eenmaal geen toelatingstest. Dat we hem in Nederland wel zo gebruiken is reden tot zorg.

In de media

Inmiddels is er het één en ander gepubliceerd over de WISC-V, ook negatief. Vooral in de hoek van hoogbegaafdheid zijn er twijfels over de geschiktheid van deze test voor die doelgroep. Ik begrijp deze twijfels, met oog op wat ik hierboven heb geschreven. Nu ik de WISC-V al vaak heb afgenomen merk ik dat ik het een hele fijne test vind. De kinderen bij wie ik hem afneem vinden dat overigens ook. De test geeft mij heel veel informatie over het kind en inzicht in wat het nodig heeft. Ik zie het profiel dat ik hierboven beschreef regelmatig, maar ik zie ook kinderen die op deze test over de hele linie hoog tot zeer hoog scoren. Ik vind hem dus zeker geschikt als diagnostisch middel, ook voor meer- en hoogbegaafde kinderen. Het knaagt alleen steeds aan me dat de test op scholen en in plusklassen verkeerd gebruikt wordt. Dat maakt me echt een beetje boos.

Aan mij en mijn beroepsgroep dus de schone taak om een pleidooi te voeren voor een juist gebruik van de resultaten van een intelligentieonderzoek. Want echt waar, dat getalletje wat eruit komt zegt niet zo veel. Op basis daarvan kun je geen grote beslissingen nemen en weet je echt niet wat een kind nodig heeft. Maar met dat verhaal – de rapportage – van een professional, die weet waar je op moet letten, die weet hoe je de test interpreteert en die daardoor inzicht heeft in wat het kind nodig heeft, des te meer. Een intelligentietest vertelt je zoveel meer dan een IQ-getal. Belangrijker nog: een kind is zoveel meer dan een IQ-getal.

Meer lezen:

WISC-V en RAKIT-2

WISC-V en RAKIT-2

WISC-V en RAKIT-2

Sinds ongeveer een jaar hebben we in Nederland de beschikking over twee goede intelligentietests voor kinderen: WISC-V en RAKIT-2. In dit artikel geef ik meer uitleg over deze tests. De orthopedagoog of psycholoog die de test afneemt is natuurlijk degene die bepaalt welke test er gebruikt wordt. Met dit artikel hoop ik wat meer informatie te geven over wat er bij die overweging een rol speelt.

De overeenkomsten

We hebben de luxe dat we kunnen kiezen uit twee tests die op de meest recente wetenschappelijke kennis over intelligentie gebouwd zijn. Deze theorie wordt wel het CHC-model genoemd. Uit de theorie over intelligentie komt naar voren dat ‘intelligentie’ een verzameling is van allerlei cognitieve vaardigheden. Beide intelligentietests geven een indruk van de totale verzameling (het totale IQ) en geven daarnaast een profiel van verschillende ‘losse’ vaardigheden (indexen of factoren genoemd). WISC-V en RAKIT-2 geven allebei veel mogelijkheden om te kijken naar sterke en minder sterke kanten. Op basis daarvan kunnen we beoordelen wat het kind nodig heeft.

De WISC-V

Deze vijfde editie van de WISC heeft de derde editie vervangen. Maar het is een compleet andere test dan de derde editie. Het onderscheid tussen het verbale IQ en het performale IQ wordt met deze nieuwe test niet meer gemaakt. Daarvoor in de plaats is het talige (verbaal) redeneren aangevuld met visueel-ruimtelijk redeneren en fluïde (logisch, zonder taal) redeneren. Daarnaast wegen taken die een beroep doen op het werkgeheugen en verwerkingssnelheid zwaarder. Er zijn, vergeleken met de RAKIT-2, wat meer onderdelen met expliciete tijdsdruk. Vergeleken met de WISC-III weegt die tijdsdruk overigens duidelijk minder zwaar. Het leeftijdsbereik is van 6 tot 16 jaar.

De RAKIT-2

Deze test van Nederlandse bodem is gefundeerd op dezelfde theorie als de WISC-V. Dit is de eerste kinderintelligentietest die op het CHC-model gebouwd is. Doordat het een Nederlandse test is, is er geen sprake van een vervorming door cultuur. De RAKIT-2 vraagt minder actief taalgebruik van een kind en is daarmee voor verlegen kinderen vaak prettiger. Er wordt meer met meerkeuzevragen gewerkt, wat voor twijfelende kinderen mogelijk minder prettig is. Het kind moet gebruik maken van kennis, maar ook van logisch nadenken, zijn geheugen en associatievermogen. Het leeftijdsbereik is van 4 tot 12 jaar.

In de praktijk

De leeftijd van het kind is de eerste factor die medebepalend is voor de keuze tussen de WISC-V en RAKIT-2. Vooral bij onderzoek naar begaafdheid is de RAKIT-2 vanaf 9 á 10 jaar niet meer geschikt (i.v.m. het plafondeffect) en valt de keuze op de WISC-V. Daarnaast spelen persoonlijkheidsfactoren een rol, zoals verlegenheid, faalangst of een voorkeur voor beelddenken. Ook kan er sprake zijn van een hertest, bijvoorbeeld voor een second opinion. Binnen korte periode kan dezelfde test niet nogmaals afgenomen worden, dus speelt dit ook een rol.

Het belangrijkste!

Welke test er ook gebruikt wordt, uiteindelijk gaat het in praktijk om een juist gebruik van de uitslag van de test. Dit is de belangrijkste boodschap van dit artikel. We moeten stoppen met het gebruik van de intelligentietest als toelating voor voorzieningen. In plaats daarvan kijken we naar de hulpvraag die gesteld is. We hebben het dan over wat het kind nodig heeft om zich (weer) optimaal te kunnen ontwikkelen. Door middel van het intelligentieonderzoek proberen we die vraag te beantwoorden. En daarvoor gebruiken we de test die het meest geschikt is voor dit kind, met deze vraag, in deze context.

Ik wil heel graag mijn bijdrage leveren aan het juiste gebruik van de intelligentietest, bijvoorbeeld op school. Ik merk dat in de praktijk vaak vooral naar het totale IQ gekeken wordt. Daarmee wordt zowel het kind als de test tekort gedaan. Er kan zoveel meer met de resultaten gedaan worden! Wil je hier meer informatie over? Neem contact op en dan praten we door over de mogelijkheden.

Meer lezen:

Meer lezen over het IQ.

Meer lezen over intelligentie.

Meer lezen over begaafheidsonderzoek.

Meer lezen over de WISC-III en de WISC-V.

Het onderzoek bij Tim

 

Verveling hoogbegaafdheid

Tim, 8 jaar, wordt aangemeld voor een onderzoek naar begaafdheid omdat hij het op school niet meer zo leuk vindt en zijn ouders zich daar zorgen over maken. Tim leert gemakkelijk, vooral het rekenen gaat hem gemakkelijk af. Op school mag hij daarom moeilijker rekenwerk doen. Ook krijgt hij verrijkingswerk. Tim is een introverte jongen en vertelt uit zichzelf niet zo snel wat hem dwars zit. Maar de laatste tijd is hij ’s ochtends vaak heel erg verdrietig. Hij huilt veel en wil niet naar school. En daar maken zijn ouders zich zorgen over. Ze willen hem graag helpen om weer met plezier naar school te kunnen gaan. Ze willen begrijpen waarom hij vaak zo verdrietig is.

Op de ochtend dat ik Tim ontmoet zie ik een vrolijke jongen met een ernstige blik in zijn ogen. Het contact is gemakkelijk gelegd en Tim heeft duidelijk plezier in het onderzoek. Ik zie een jongen die geniet van de moeilijkheidsgraad van de opdrachten en die niet bang is om fouten te maken. Hij staat open voor feedback en past dat ook direct toe. Hij kan goed vertellen wat hij denkt en voelt. Ook zijn enorme hoeveelheid kennis die hij kernachtig weet te verwoorden valt op. We praten samen. Ook over school. Wanneer ik hem vraag wat hij leuk vindt op school blijft hij stil. Na lang nadenken noemt hij een spel dat hij af en toe mag doen. Iets anders kan hij niet bedenken.

Tim vult ook een vragenlijst in. Hij kan in die vragenlijst invullen hoe hij over school denkt. Dit doet hij eerlijk. School komt er, zoals verwacht, zeer negatief uit. Hij geeft aan dat hij echt wel zijn best wil doen. Hij kan zich ook prima concentreren. Maar plezier? Nee, dat absoluut niet.

Uit het onderzoek blijkt dat Tim hoogbegaafd is. En Tim verveelt zich al lange tijd op school. Wist je dat hoogbegaafde kinderen soms wel 75% van de tijd zitten te wachten op school? Omdat ze de instructie al begrijpen, het werk al af hebben, wachten op instructies voor andere taken? En dat dag in, dag uit? Deprimerend, en bij sommige kinderen groeit dit ook daadwerkelijk uit tot een depressie. Ik begrijp dan ook dat Tim geen plezier ervaart op school. En zijn negatieve gevoelens zijn een belangrijke reden om in te grijpen. Tim wil nog graag uitgedaagd worden. Hij staat open voor moeilijke stof. Die leermotivatie is hij gelukkig nog niet kwijt.

Het begaafdheidsonderzoek gaf de ouders van Tim inzicht in wat hij nodig heeft. Hierdoor konden ze hem in de eerste plaats al beter begrijpen. In de tweede plaats konden ze samen met school een plan maken om Tim de uitdaging te bieden die hij zo hard nodig heeft.

Wil je meer weten over een begaafdheidsonderzoek? Overweeg je een onderzoek naar begaafdheid bij je kind? Op deze pagina lees je er meer over. Je kunt natuurlijk ook contact met me opnemen via de contactpagina, per mail of telefonisch.